Zoek het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde.

Schrijf in het eerste vak het onderwerp.
Schrijf in het tweede vak het werkwoordelijk gezegde.

Hij maakt een mooi voederbakje voor de vogels.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Ze komen op een brug.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

In het veld kun je de vogels zien.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Marjolein heeft kraaien opgemerkt.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Hij zou de hele dag kunnen werken.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Maar dat hoeft hij niet te bekennen.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Hij moest tegen het muurtje gaan staan.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Wie heeft dit in de vuilnisbak gegooid?
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

Vanavond eet ik heel de pizza alleen op.
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :

De kaas werd door de muis opgegeten
onderwerp :
werkwoordelijk gezegde :